“We zien ernaar uit dat dit vijftigste Basisjaar iets weg heeft van een jubeljaar.”
De EH bestaat bijna 50 jaar! In januari 1977 werd de stichting opgericht en in september 1977 ging het eerste Basisjaar van start. Dat betekent dat we nu begonnen zijn aan het 50ste Basisjaar, en dat we in het jaartal 2027 zullen vieren dat de EH 50 jaar bestaat.
Het vijftigste jaar is bijbels gezien een jubeljaar. In Leviticus 25 wordt gesproken over het sabbatsjaar en het jubeljaar. God wil dat Zijn volk Israël blijft beseffen dat het land hen wel gegeven is, maar dat de Heere er Zelf de eigenaar van blijft. ‘Het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij’ (Lev. 25:23). Ze zijn te gast in het beloofde land. De oorsprong van hun bestaan als volk is Gods verkiezing en bevrijding. Er mag zeker gehandeld worden, de oogst mag verkocht worden en als het niet anders kan zelfs de akker. Maar elk zevende jaar is er een sabbatsjaar en elk vijftigste jaar een jubeljaar. In het sabbatsjaar mag het land niet ingezaaid worden. Het moet rusten. Het volk leert daardoor op God te vertrouwen en niet op hun eigen inspanningen. Ze mogen niet gaan voor maximale winst en rijkdom. De sabbat zelf en ook het sabbatsjaar zijn voortdurende herinneringen aan de rust waarin ze leven mogen. Het is leven van wat God geeft.
Na zeven sabbatsjaren was er het jubeljaar. Dat klinkt best vrolijk: jubeljaar. De naam komt bij het Hebreeuwde ‘yobel’ vandaan, wat met bazuingeschal te maken heeft. Het jaar begon op grote verzoendag met het schallen van de bazuin. In het latijn werd het vertaald met ‘annus jubilaris’, en daar komt onze vertaling met jubeljaar vandaan. Ook in dit jaar mag er niet gezaaid worden. Je mag wel eten van wat er spontaan groeit, maar je mag niet oogsten. Het economische systeem komt tot rust. Het lijkt wel alsof God een resetknop indrukt. De dingen die scheefgroeien, moeten we terugkeren naar de goede positie.
In het jubeljaar komen slaven vrij en worden akkers teruggegeven aan de oorspronkelijke familie. Als je bijvoorbeeld de rekeningen niet kon betalen, moest je jezelf of één van je kinderen verkopen. Met de arbeid die zij leverden, werd de schuld ingelost. Dit kon gemakkelijk van kwaad tot erger gaan, zodat er hele slavenfamilies zouden ontstaan. Maar Gods volk is geen volk van slaven. Zij zijn juist uit slavernij bevrijd.
Als akkers verkocht moesten worden, kon het zijn dat sommigen grootgrondbezitters werden en anderen helemaal geen land hadden. En dat terwijl zij door Gods bevrijding en hulp het beloofde land waren binnengegaan en land toegewezen hadden gekregen.
Als nu het vijftigste jaar aanbrak, werd wat in het economische systeem scheefgegroeid is, rechtgezet. ‘Het is jubeljaar voor u: ieder zal terugkeren naar zijn eigen bezit en ieder zal terugkeren naar zijn familie.’ Je kon je akker kwijt zijn geraakt, maar die akker kwam in het jubeljaar terug in de familie. Je kon als slaaf of werknemer verkocht zijn aan iemand anders, maar dan was het jubeljaar een jaar van bevrijding. Want ‘niemand mag zijn naaste uitbuiten. Vrees echter uw God, want Ik ben de HEERE, uw God.’ (Lev. 25:17) Voor de akkers was er een goede regeling getroffen. Als je een akker vlak voor het jubeljaar kocht, was die veel lager geprijsd dan het geval was als er nog heel wat oogsten konden worden binnengehaald voordat het jubeljaar aan zou breken. Eigenlijk werd dus niet de akker verkocht maar verpacht, of om het anders te zeggen: het aantal oogsten werd verkocht.
Door het teruggeven van de akkers zou het volk altijd weer bedenken dat God hen in dit land gebracht had. Ook leerden ze afhankelijk te leven, net als tijdens de woestijnreis met het manna: er was steeds precies genoeg. Een voorraad aanleggen kon niet. Alleen voor de sabbat kon je extra verzamelen. Zo zou de Heere ervoor zorgen dat als het land een jaar braak lag, dat zij niet tekort hadden. Er zou genoeg zijn om naar Gods geboden te luisteren, te ervaren dat ons leven niet van onze eigen inspanning afhangt en dat we in Gods wereld mogen genieten van het goede dat God geeft.
Dit zijn bepalingen voor het volk Israël van toen. Het is maar de vraag of het volk er echt zo trouw naar gehandeld heeft. De profeten waarschuwen tegen het nalaten van de opdracht het sabbatsjaar en het jubeljaar te houden (zie bijvoorbeeld. Jer. 34:13-14). Deze opdrachten zijn niet één op één over te zetten naar ons vandaag.
Toch liggen er wel lessen in, ook voor de EH. Nu we het vijftigste jaar van de EH ingaan, is het goed om over het jubeljaar na te denken. Ons leven mag niet bepaald worden door een economisch systeem van winstmaximalisatie. God wil niet dat op Zijn aarde de kloof tussen rijk en arm als maar groter wordt. Dat gebeurt helaas wel. We kunnen ons op vrije marktwerking beroepen, maar God wil dat onze hebzucht begrensd wordt. Wij leren van het sabbats- en jubeljaar dat rust, afhankelijkheid en dankbaarheid belangrijker zijn dan jagen naar maximale rijkdom. We mogen elkaar niet uitbuiten. We leven in het besef dat ons leven van de Heere is. Dat is de kern van het jubeljaar dat nog steeds geldig is. Wij moeten steeds weer op zoek naar de zin en de bedoeling van het leven. Daar geeft de EH gestalte aan.
We oefenen ons in dankbaarheid. We leren onze talenten in te zetten. Tegelijk is het een jaar waarin de reset-knop ingedrukt wordt. Een jaar stilstaan om verder te komen. Een jaar afhankelijkheid oefenen. Een jaar investeren in iets wat de wereld om ons heen niet altijd op waarde kan schatten. Maar hoe waardevol is het om een jaar lang te leren dat God goed is, dat Hij echt voor ons zorgt, dat we niet van onszelf zijn, maar van Hem die ons gekocht heeft met Zijn bloed. Dat zorgt ervoor dat je anders in het leven staat.
In die zin is elke dag een sabbatsdag en elk jaar een jubeljaar. Jezus riep het aangename jaar van de Heere uit, een dag van bevrijding van gevangenen (Jes. 60:1-3/Luk. 4:18-19). Leven uit Zijn genade is een leven vanuit de rust, in het besef dat we niet van onszelf zijn. We blijven waakzaam om niet in de val van hebzucht en jaloezie te trappen, maar dankbaar te leven van wat God ons geeft.
Leren leven van genade is een levenslange oefening. We zien ernaar uit dat dit vijftigste Basisjaar inderdaad iets weg heeft van een jubeljaar.